LAP3: afvalbeleid voor de periode van 2017 tot 2023

Iedere lidstaat van de EU is verplicht om een Landelijk afvalbeheerplan (LAP) te maken en deze met regelmaat te actualiseren. In Nederland zijn we toe aan de derde versie. Hierin is veel aandacht voor de circulaire economie waarin het efficiënt omgaan met grondstoffen en het voorkomen van afval centraal staat. Het LAP moet door vergunningverleners en handhavers worden gebruikt als toetsingskader. Hiermee wordt bepaald welke minimumstandaarden van toepassing zijn en wat redelijkerwijs van een bedrijf mag worden verwacht bij het verwerken van zijn afvalstoffen. Mogelijk heeft LAP3 dan ook gevolgen voor uw vergunning.

Afvalbeleid 2017-2023

In een Landelijk afvalbeheerplan (LAP) legt de Rijksoverheid (of decentrale overheid) vast wat haar doelstellingen zijn op het gebied van afval, wat er wordt gedaan om afval te voorkomen en als dat niet mogelijk is, hoe de verschillende typen afvalstoffen worden verwerkt. Volgens de wet moet in Nederland iedere 6 jaar opnieuw een afvalbeheerplan worden vastgesteld. LAP3 vervangt het afvalbeheerplan LAP2 en is sinds 28 december 2017 in werking. In dit plan is het afvalbeleid voor de periode 2017 tot en met 2023 vastgelegd, met een doorkijk tot 2029.

Circulaire economie

Door de invoering van LAP1 en LAP2 werd minder afval gestort en worden materialen beter hergebruikt. Inmiddels wordt meer dan 80% van het afval nuttig toegepast. Het kabinet wil toe naar een circulaire economie, waarin efficiënt omgaan met grondstoffen en afval voorkomen centraal staan. In het nieuwe LAP3 is daarin een belangrijke stap gezet. Er is nog meer aandacht voor onderwerpen als hoogwaardige recycling, afval of grondstof en het verhogen van minimumstandaarden voor verwerking van afval.

LAP3 kwam er niet zonder slag of stoot. Het ontwerp-LAP3 lag van 26 september tot en met 7 november 2016 ter inzage. Door 105 partijen, voornamelijk omgevingsdiensten, bedrijven en brancheorganisaties werd gereageerd. Aan de hand daarvan werd het ontwerp aangepast. Zo werden bijvoorbeeld de minimumstandaarden voor het verwerken grondafval en shredderafval aangepast en zijn er wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot bron- of nascheiding en het produceren van brandstoffen uit afvalstoffen.

In LAP3 is een nieuw hoofdstuk toegevoegd met betrekking tot recycling in relatie tot zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Omdat ook binnen een jaar de omgevingsvergunningen van afvalbedrijven moeten worden getoetst aan het nieuwe LAP3, zal voor afvalverwerkingsbedrijven waar (potentiele) zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) worden verwerkt het AV-beleid moeten worden aangepast en/of worden beoordeeld of de vergunde verwerking in voldoende mate in staat is om zorgwekkende stoffen (ZZS) “terug te houden uit de leefomgeving”.

“Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de leefomgeving te weren.”

Het “lozen” van ZZS stoffen “in de leefomgeving” (bijvoorbeeld het oppervlaktewater, of in recycleproducten) moet dus zoveel als mogelijk worden geweerd. Dat is de inzet van de overheid.

“Bronaanpak” afvalstoffen met daarin ZZS in de afvalwereld is niet aan de orde. Juist van de afvalverwerkende industrie wordt verwacht dat zij sturen op minimalisatie van het “in de leefomgeving brengen” van de ZZS. In principe dient de afvalsector te zorgen voor het “afscheiden van de ZZS” uit het afval indien mogelijk en dan de (afgescheiden) fractie met daarin de ZZS “definitief te verwijderen door verbranding of storten na fixatie”. Een andere wijze is het omzetten van de ZZS (Chemische omzetting) naar een niet ZZS. Als afvalbedrijven ZZS accepteren dan moeten deze een grote inspanning verrichten om ZZS om deze te weren uit het leefmilieu. Afvalverwerkende sector dient zich in te (blijven) spannen om een zo laag als mogelijke “emissie naar het leefmilieu) aan ZZS te realiseren waarbij telkens moet worden beoordeeld of er verbetering (dus nog lagere emissie) mogelijk is. Is er sprake van een ZZS houdende afvalstof/fractie/recycleproduct (in principe ≥0,1 gew%, doch voor bepaalde stoffen een andere grenswaarde), waar geen wettelijke regulatie op van toepassing is vanuit de REACH en/of POP verordening of die niet wordt verwijderd (door vernietiging of verbranding) dan moeten afvalbedrijven gaan beoordelen of het “in de leefomgeving brengen” van de ZZS geen risico’s vormt voor het milieu. Indien er sprake is van een onaanvaardbaar risico dan wordt verwerking (met het oog op terugwinning of het “in de leefomgeving brengen”) van de ZZS houdende afvalstof niet toegestaan.

Indien niet expliciet is aangegeven aan het bevoegd gezag dat er sprake kan zijn van acceptatie van ZZS (houdende) afvalstoffen dan dit in eerste instantie ook niet toegestaan. Uit het AV-beleid blijkt uiteindelijk of er ZZS geaccepteerd (kunnen) worden en op welke wijze de verwerking van deze ZZS houdende afvalstoffen plaats vindt. Tevens zal het bedrijf moeten aangeven hoe zij de (in het afval aanwezige) ZZS weert “uit de leefomgeving”, dus de eventuele emissie naar de lucht of water als gevolg van de handeling met deze afvalstoffen.

Impact op Omgevingsvergunning en Activiteitenbesluit

LAP3 is voor vergunningverleners een wettelijk verplicht toetsingskader. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke minimumstandaarden er gelden en wat redelijkerwijs van een bedrijf mag worden verwacht bij het verwerken van zijn afvalstoffen. In LAP3 is bijvoorbeeld voor veel afvalstromen beschreven hoe de markt in elkaar steekt en wat een acceptabele verwerkingswijze is. Deze afvalregelgeving is bindend en heeft mogelijk impact op uw individuele vergunning of de afvalvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Zo kunnen de nieuwe eisen met betrekking tot hoogwaardige recycling maken dat u zich aan striktere afvalvoorschriften moet houden.

Wilt u meer weten over het LAP3 na het lezen van dit artikel, neem dan contact op met Ron Klaassen via telefoonnummer 040 – 289 56 45 of per e-mail via ron@reijngoudafval.nl

Andere nieuwsberichten
Neem contact op

Niet leesbaar? Verander tekst. captcha txt